Loading...

piątek, 11 lutego 2011

1781 Joan Derk van der Capellen: An het volk van Nederland

Pamflet: An het volk van Nederland
(wydany anonimowo w Ostendzie)
3 IX 1781 r.
Joan Derk, baron van der Capellen tot den Pol (1741-1784)



Oryginalny tekst holenderski z: Joan Derk van der Capellen, An het volk van Nederland, wyd 2002 r. ISBN: 9789062623617
(zachowane słowa pisane kursywą)

(…) Het is, mijn waarde medeburgers! niet sinds gisteren of eergisteren dat men U bedriegt en mishandelt; neen, ge zijt, om niet van vroeger tijden te spreken, nu sedert bijna twee eeuwen de speelbal geweest van allerlei heerszuchtige lieden, die, onder de schijn van voor Uw belangen en vrijheid te zorgen (...) volstrekt niets anders beoogd hebben dan een erfelijk juk op Uw vrije halzen te drukken. (...) de volken, willen zij hun vrijheid behouden, steeds waakzaam moeten zijn en in geen sterveling (...) een onbeperkt vertrouwen moeten stellen. Integendeel, zij moeten ieder die enig gezag en macht in handen heeft, maar vooral de vorsten en lieden van hoge geboorte (...) Het heersen is zoet! Waakt dan landgenoten, en gij zult vrij blijven! (...) Het zijn de groten, o medeburgers, voor wie ge U wachten moet. De Prins heeft ze bijna allen aan zijn leiband. Voor ambten en commissies, voor een maaltijd eten aan het hof doen ze alles. Eed en plicht en het welzijn van het vaderland gaat hun doorgaans weinig ter harte. De schade die zij zowel als anderen - door het verval van de koophandel enn de welvaart lijden, wordt hun - zo denken ze - rijkelijk vergoed door de gunst van onze heer, de Prins, die het altijd in zijn macht heeft om de keuken van hen en de hunnen aan het roken te houden, gelijk hij ook trouw doet.
(...) Wacht U daarom, mijne waarde landgenoten, voor allen die de troepen commanderen, want het is bekend dat zij bijna altijd en overal de baas gespeeld hebben over hun eigen landslieden en medeburgers. Er is geen vrijheid in Europa meer geweest sinds de vorsten begonnen zijn vaste legers in dienst te houden. Voor die tijd toen men nog geen soldaten had, trokken de leenmannen met de burgers en boeren ten oorlog. Maar de listige vorsten, wel wetende dat zulk soort ge- wapende krijgslieden de hand niet zouden lenen om hun eigen land onder het juk te brengen, vonden er dit op, dat zij de in- gezetenen gingen voorstellen om liever geld op te brengen dan zelf in persoon - met verzuim van hun zaken en gevaar voor hun leven - ten oorlog te trekken. Voor dat geld zou men dan soldaten in hun plaats huren. De eenvoudige ingezetenen waren wonderwel in hun schik met deze vondst, maar begrepen niet wat er de natuurlijke gevolgen van zouden zijn. Want de vorsten konden van dat ogenblik af dat zij een steeds op de been zijnd, van hen alleen afhankelijk, en van het overige deel der natie geheel afgescheiden landmacht in handen hadden, doen wat ze wilden. Geen stad of land kon zijn voorrechten meer tegen hen verdedigen. De geschiedenis leert ons, dat al die volken om ons heen, die nu onder een willekeurige eenhoofdige regering zitten te zuchten - zelfs de Spanjaarden, de Fransen, geheel Duitsland - nog niet eens zo heel lang geleden vrije lieden waren en alleen door die gehuurde troepen in slavernij zijn geraakt, zonder tot dit uur toe in staat te zijn geweest om hun vrijheden en voorrechten - al waren die nog zo fraai op oude perkamenten met zegels eraan beschreven - te verdedigen. (...) 0, landgenoten! nog eens, wapent U allen tezamen, en draagt zorg voor de zaken van het hele land, dat is voor Uw eigen zaken. Het land behoort aan U allen met elkaar, en niet aan de Prins met zijn groten alleen.
(...) Bij voorbeeld. De Oost-Indische Compagnie is een grote maatschappij of compagnieschap van kooplieden die zich verenigd en aaneengesloten hebben, om handel op Oost-Indie te drijven. Hun aantal is veel te groot en zij wonen te ver van elkaar om voortdurend als het nodig is, bijeen te kunnen komen, of om de zaken van hun maatschappij zelf in eigen persoon te kunnen besturen. (...) Om die reden doen de participanten zeer wijs, dat zij directeuren of bewindhebbers of rentmeesters aanstellen, die zij voor hun moeite betalen en aan wie ze precies zoveel macht geven, maar niet meer dan nodig is om datgene te doen waartoe ze geroepen, gehuurd en aangesteld zijn. Die bewindhebbers hebben natuurlijk over de zaken van de compagnie wel meer te zeggen dan deze of gene participant afzonderlijk; ook meer dan zelfs een grote hoop participanten bij elkaar, die de meerderheid niet uitmaken. Maar als alle participanten tezamen, of een volstrekte meerderheid een verandering in het bestuur van de compagnie - dat is van hun eigen zaken - gebracht willen hebben, dan is het de plicht van de directeuren of bewindhebbers, die in dit opzicht de dienaren van de participanten zijn, te gehoorzamen en te doen wat de participanten wensen. Want niet zij bewindhebbers, maar de participanten zijn de waarachtige eigenaars, heren en meesters van de compagnie of maatschappij. Evenzo is het met de grote volksmaatschappij gesteld. De groten, die over U regeren, de Prins of wie verder enige macht in het land uitoefent, doen dat alleen uit Uw naam. Al hun gezag is aan U ontleend. Gij zijt de participanten, de eigenaars, de heren en meesters van de volksmaatschappij, die zich in deze landstreek, onder de naam van Verenigde Nederlanden heeft neergezet. De groten, de regenten daarentegen zijn slechts de bewindhebbers, de directeuren, de rentmeesters van die volksmaatschappij. Gij betaalt hun uit Uw eigen, dat is 's volks beurs. Zij zijn dus in Uw dienst, zij zijn Uw dienaren en aan Uw meerderheid onderworpen en rekenschap en gehoorzaamheid schuldig.


Tłumaczenie: Piotr Napierała

(…) Tak jest moi drodzy współobywatele! Nie od wczoraj ani nie od przedwczoraj jesteście oszukiwani i maltretowani; przez około dwa stulecia, by nie wspomnieć wcześniejszych dziejów, jesteście zdani na łaskę garstki ambitnych osób, które dążyły udając troskę o wasze interesy i swobody, jedynie do tego by (…) założyć na wiele pokoleń jarzmo na wasze wolne karki. (…) jeśli narody chcą zachować swoją swobodę, nie mogą ufać całkowicie władcom (…) przeciwnie - muszą być ciągle nieufne wobec wszystkich osób, które mają władzę lub siłę, zwłaszcza wysoko urodzonych (…) władza jest słodka, więc, moi rodacy, bądźcie nieufni a pozostaniecie wolni! (…) ci których musicie pilnować, drodzy współobywatele, są potężni! Książę [Wilhelm V Orański – P.N.] przewodzi im wszystkim. Zrobią wszystko dla urzędów i posad, dla jedzenia na dworze. Zwykle mało ich obchodzą zobowiązania czy dobro ojczyzny. Straty handlowe wszystkich pozostałych, ich nie dotyczą, ponieważ wynagrodzą je fawory naszego Księcia-pana, u którego kominy zawsze dymią. (…) Moi drodzy rodacy, strzeżcie sie wszystkich, którzy dowodzą armiami, ponieważ jest dobrze znane, że zawsze dominowali on nad swymi rodakami ziemianami I obywatelami. W Europie nie było stałego pokoju, odkąd książęta zaczęli utrzymywać stałe armie. W dawniejszych czasach, gdy nie było jeszcze żołnierzy, wasale wyruszali na wojnę ze swymi mieszczanami i dzierżawcami. Sprytni książęta wiedząc, ze tacy ludzie nie pomogą im podbijać innych państw, zaproponowali ludowi, żeby płacili za utrzymanie żołnierzy, którzy będą walczyć i narażać życie za nich. Prostoduszni mieszczanie byli zachwyceni ta ideą, lecz nie rozumieli naturalnych jej konsekwencji. Jak tylko książęta mieli stałą armię, do swej dyspozycji, zależna tylko od nich I oddzielona od reszty narodu, mogli uczynić co chcieli. Żadna ziemia i żadne miasto nie mogło już obronić przed nimi swych przywilejów. Historia uczy nas, ze narody wokół nas, które dziś wzdychają pod arbitralnymi jednostkowymi rządami – nawet Hiszpanie, Francuzi, a zwłaszcza były wolne nie tak dawno temu, I zostały zniewolone tylko przez najemne oddziały, nie mogąc dotąd, bronić swych praw, wolności, choćby nie wiem na jak pięknych starych pergaminach były one spisane i zapieczętowane. (…) Moi rodacy! Obejmijcie się wszyscy wzajemnie i zatroszczcie się o sprawy całego tego kraju, a więc o wasze sprawy. Kraj należy do was wszystkich razem, nie tylko do Księcia i jego wielkich sojuszników. (…) Przykładowo Kompania Wschodnioindyjska jest wielką korporacją kupców zjednoczonych by handlować z Indiami Wschodnimi. Jest ich wielu i mieszkają oni daleko od siebie, zbyt daleko by móc spotykać się w miarę potrzeby, lub by osobiście zarządzać sprawami Kompanii. (…) Z tego powodu, udziałowcy mądrze zdecydowali by ustanowić dyrektorów i administratorów. Płaca im za ich pracę i dają dokładnie tyle władzy ile trzeba, by mogli wykonywać zadania, dla których zostali powołani Administratorzy maja oczywiście większą władzę od pojedynczego udziałowca i nawet więcej od wielu z udziałowców, jeśli nie stoi za nimi większość, lecz jeśli wszyscy udziałowcy razem lub absolutna większość chcą, to mogą zmienić bieg polityki Kompanii – zmienić bieg własnej polityki , ponieważ to nie administratorzy, lecz udziałowcy są prawdziwymi właścicielami i panami Kompanii, i wtedy jest obowiązkiem dyrektorów uczynić tak, jak sobie udziałowcy życzą. Tak samo jest z wielką kompanią ludu, wielki człowiek, który tobą rządzi i dowodzi, Książę czy ktokolwiek, kto ma w tym kraju jakąkolwiek władzę, sprawuje ja tylko w waszym imieniu. Każda władza wywodzi się od was. Wy jesteście prawdziwymi udziałowcami, właścicielami, panami i władcami Kompanii zwanej Zjednoczonymi Niderlandami. [Republika Zjednoczonych Niderlandów – P.N.] Wielcy, regenci [regenten – przedstawiciele rodów kontrolujących władze miejskie], nie są niczym więcej niż administratorami i zarządcami kompanii ludowej. Płacicie im waszymi własnymi pieniędzmi, pieniędzmi ludu, więc są oni w waszej służbie I są podporządkowani waszej większości, której winni posłuszeństwo i przed którą odpowiadają.


W swoim pamflecie An het volk van Nederland Joan Derk van der Capellen, sympatyk rewolucji amreykańskiej z lat 1776-1783, dał wyraz swoim demokratycznym przekonaniom, krytykując oparty na hermetycznych magistratach ustrój Republiki Zjednoczonych Prowincji (Holandia). Pisma van der Capellena ożywiały holenderskich “patriotów” walczących w 1787 roku przeciw rojalistycznym oranżystom.

Brak komentarzy: